Eigendomsvoorbehoud vs. Pandrecht

De detailhandel heeft het zwaar. De ene na de andere winkel(keten) is failliet gegaan. Met de aantrekkende economie zijn betere tijden in aantocht. Door de toenemende consumentenbestedingen zal de behoefte aan werkkapitaal toenemen. Wie gaat dat invullen? Lang niet iedere winkelier heeft zoals V&D een aandeelhouder die de bankfinanciering aflost en het benodigde werkkapitaal beschikbaar stelt. In veel gevallen zal hoopvol naar de huisbank worden gekeken. Als we het gerechtshof Den Haag moeten volgen dan zal dit ijdele hoop kunnen zijn. In het arrest Rabobank/Reuser van 2 september 2014 (JOR 2015/53) heeft het gerechtshof bepaald dat de bank geen stil pandrecht bij voorbaat kan vestigen op onder eigendomsvoorbehoud geleverde goederen. In het handelsverkeer behoudt vrijwel iedere leverancier de eigendom van geleverde goederen voor. In het bijzonder in de detailhandel zal de bank haar zekerheid zoeken in een pandrecht op de voorraad en bedrijfsmiddelen. Dat pandrecht is volgens het gerechtshof in veel gevallen dus niets waard. Zonder afdoende aanvullende zekerheden of een rotsvast vertrouwen in de cashflow en de blauwe ogen van de ondernemer kan dit tot gevolg hebben dat de bank het benodigde werkkapitaal niet meer wil financieren. Een zeer onwenselijke situatie. Nu denkt u mogelijk: is dit probleem in de praktijk wel echt zo groot? De bank laat standaard een pandrecht vestigen op de huidige én toekomstige voorraad en bedrijfsmiddelen. Zodra de factuur van de geleverde goederen betaald is, zijn de goederen toch in eigendom overgegaan en komt het pandrecht automatisch tot stand? Deze vlieger gaat in veel gevallen niet op. Leveranciers bedingen vaak een verlengd of krediet eigendomsvoorbehoud. Dit betekent dat de leverancier het eigendom van de geleverde goederen ook voorbehoudt voor alle andere vorderingen die de leverancier op de koper heeft of zal verkrijgen. En als op enig moment alle facturen betaald zijn? Dan kan het eigendom nog steeds voorbehouden zijn. Een voorbeeld: regelmatig wordt gewerkt met termijncontracten waarbij partijen langdurige verplichtingen aangaan, zoals een bepaalde volumeafname door de winkelier. De eigendom van de geleverde goederen blijft voorbehouden voor de correcte nakoming van de (toekomstige) verplichtingen uit het termijncontract. Als de winkelier voor afloop van het contract failliet gaat, lijdt de leverancier schade en zal de leverancier het eigendomsvoorbehoud kunnen inroepen. Wat betekent dit in de praktijk? Stel, de geleverde goederen hebben een waarde van € 500.000. De vordering van de leverancier bedraagt € 100.000. De winkelier gaat failliet. Volgens het gerechtshof is er voor het faillissement geen rechtsgeldig pandrecht tot stand gekomen op het ‘surplus’ (positief verschil tussen de (executie)waarde van de goederen en de vordering van de leverancier) van € 400.000. Dit surplus valt in de faillissementsboedel. Bij (omvangrijke) posities is het raadzaam voor de bank om tijdig een taxatiebureau in te schakelen om:
  1. een deugdelijke inventarisatie te laten maken van de aanwezige goederen
  2. de goederen te laten taxeren (onderhandse waarde en executiewaarde)
  3. een inventarisatie te laten maken van mogelijke eigendomsvoorbehouden
  4. een inventarisatie te laten maken van de huidige en toekomstige vorderingen van de leveranciers
Op basis van de inventarisatie wordt inzichtelijk of bij bepaalde onder eigendomsvoorbehoud geleverde voorraad een surplus aanwezig is. Als sprake is van een surplus dan zal de klant in overleg met de leverancier kunnen treden om tot een regeling te komen waarbij de openstaande vordering van de leverancier wordt voldaan onder de voorwaarde dat de leverancier expliciet en schriftelijk afstand doet van het eigendomsvoorbehoud op de aanwezige goederen. In het arrest Snippers q.q./Rabobank van 28 november 2014 heeft de Hoge Raad bepaald dat als gevolg van het doen van afstand van het eigendomsvoorbehoud een rechtsgeldig pandrecht tot stand is gekomen. Tot slot, Rabobank heeft cassatieberoep ingesteld tegen het arrest Reuser/Rabobank. Voor de financierbaarheid van onder andere de detailhandel mag gehoopt worden dat de Hoge Raad tot het oordeel komt dat een rechtsgeldig pandrecht bij voorbaat gevestigd kan worden op het surplus. Wordt ongetwijfeld vervolgd. mr. Arjen Zeilstra, bancair & juridisch adviseur