De kredietopzegging: onaanvaardbaar?

Het aantal kredietopzeggingen en procedures is de afgelopen jaren fors toegenomen. De rode lijn is het verwijt van de klant aan de bank dat de bank de kredietrelatie op grond van de redelijkheid en billijkheid niet had mogen beëindigen en dat de bank haar zorgplicht heeft geschonden. In verreweg de meeste procedures is de kredietopzegging als rechtmatig beoordeeld.

Bij een rekening-courantkrediet kan de bank op basis van de specifieke financieringsvoorwaarden en de algemene bankvoorwaarden de kredietrelatie tussentijds met onmiddellijke ingang opzeggen. Bij een kredietovereenkomst voor bepaalde tijd kan dit over het algemeen niet, tenzij sprake is van een in de financieringsdocumentatie benoemde ‘event of default’. In het geval de kredietrelatie uit verschillende kredietovereenkomsten bestaat zal de bank per kredietovereenkomst moeten afwegen of tot opzegging kan worden overgegaan. Dit kan er toe leiden dat binnen de kredietrelatie de ene kredietovereenkomst wel kan worden opgezegd en de andere niet.

De opzegging van de kredietrelatie is zeer ingrijpend voor de klant. In bijzonder beheer slaagt de klant er meestal niet in om de financiering elders onder te brengen met waarschijnlijk een faillissement tot gevolg. De bank zal haar verstrekkende bevoegdheid niet zonder deugdelijke en zorgvuldige belangenafweging mogen inzetten. Puristen onder de juristen waren verdeeld over de vraag of de kredietopzegging getoetst moest worden aan de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid van lid 1 of aan de beperkende werking van lid 2 van artikel 2:248 Burgerlijk Wetboek. In het arrest van 10 oktober 2014 (ING/De Keijzer) heeft de Hoge Raad bepaald dat getoetst moet worden aan de strenge ‘onaanvaardbaarheidstest’ van lid 2. Ik zal u hiermee niet teveel vermoeien, voor de praktijk maakt het bar weinig uit. Het gaat in beide gevallen om de beoordeling van de specifieke omstandigheden van het geval. Relevante omstandigheden kunnen zijn:
  • de duur, de mate van exclusiviteit, de omvang en de ingewikkeldheid van de kredietrelatie
  • een aanmerkelijke afname of toename van het kredietrisico
  • het gedrag en de betrouwbaarheid van de kredietnemer
  • de mate waarin de kredietnemer is tekortgeschoten
  • de kans dat de onderneming van de kredietnemer – na een reorganisatie – zal overleven
  • de termijn die de kredietnemer krijgt om de financiering elders onder te brengen
  • de wijze van besluitvorming van de bank en de wijze waarop overleg is gevoerd met de kredietnemer en de bank de kredietnemer heeft gewaarschuwd
  • de bank door eigen gedragingen verwachtingen heeft gewekt
Waar gaat het in de praktijk om:
  1. Belangenafweging
    • De bank moet een gegronde en voldoende zwaarwegende grond voor de opzegging hebben
    • In de belangenafweging – waarin de bank het klantbelang centraal stelt (zie ook mijn bijdrage over de Bankierseed) – moet de grondslag voor de opzegging voldoende zwaarwegend zijn en deze grondslag moet de gevolgen van de kredietopzegging kunnen dragen. Deze belangenafweging zal per kredietovereenkomst moeten plaatsvinden
    • Als de bank in de gegeven omstandigheden een minder zwaar middel kan inzetten om het doel te bereiken dan zal zij hiervoor moeten kiezen
  2. Communicatie
    • Bij een kredietopzegging gaat de bank meestal niet over 1 nacht ijs. De kredietrelatie staat vaak al langer onder druk. Van de bank mag worden verwacht dat zij de klant tussentijds aanspreekt op gedrag en resultaat en waarschuwt voor de mogelijke gevolgen. Duidelijke en transparante (schriftelijke) communicatie is essentieel
    • Van de bank mag eenduidig beleid (geen willekeur) verlangd worden. De bank mag geen verwachtingen wekken die zij vervolgens niet nakomt. Ook hier geldt: duidelijkheid en transparantie
    • In de opzeggingsbrief zal de bank nauwkeurig de omstandigheden en gronden moeten benoemen die de opzegging dragen. In een procedure toetst de rechter of de opzegging – mede of geheel – op basis van de in de opzeggingsbrief genoemde gronden onaanvaardbaar is of niet
  3. Nazorg
    • De bank zal ook bij een kredietopzegging met onmiddellijke ingang een redelijke opeisingstermijn in acht moeten nemen. Over het algemeen wordt een termijn van 3 maanden als voldoende aangemerkt. De specifieke omstandigheden kunnen deze termijn verlengen of verkorten. Naast het verloop van het traject van voor de opzegging speelt de aard van de verstrekte zekerheden een rol. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (JOR 2015/153) heeft een opeisingstermijn van 14 dagen redelijk geacht. De onderliggende zekerheid betrof in dit geval met name een pandrecht op debiteuren (bederfelijke waar). In ING/De Keijzer werd de gehanteerde opeisingstermijn van 8 maanden als redelijk beoordeeld. De onderliggende zekerheid betrof met name een 1e recht van hypotheek op onroerend goed (geen bederfelijke waar) met een aanzienlijke overwaarde
    • Biedt aan en treedt waar mogelijk in overleg om afspraken te maken op welke wijze de zekerheden te gelde gemaakt kunnen worden
    • De bank zal de bij de financiering betrokken derden, zoals borgen, direct moeten informeren dat de kredietrelatie is opgezegd
mr. Arjen Zeilstra, bancair & juridisch adviseur