Crediteurenakkoord: wanneer mag je weigeren of moet je (verplicht) accepteren

Het crediteurenakkoord is een instrument om de crediteurendruk te verminderen. De crediteur wordt een bepaald percentage aangeboden onder de voorwaarde dat de restschuld wordt kwijtgescholden. In de praktijk zijn ondernemers huiverig om dit middel in te zetten. Veel gehoorde redenen zijn:
  • De kans van slagen is klein omdat enkele crediteuren niet akkoord zullen gaan;
  • Brede(re) bekendheid in de markt dat het financieel slecht gaat;
  • Leveranciers zullen niet meer op krediet willen leveren (extra liquiditeitsdruk).
Toekomst, WCO II Als onderdeel van een meeromvattende renovatie van de Faillissementswet is een wetsvoorstel (Wet Continuïteit Ondernemingen II) opgesteld, waarin het buitengerechtelijk dwangakkoord is uitgewerkt. Op hoofdlijnen regelt het wetsvoorstel het volgende:
  • Een schuldenaar krijgt de bevoegdheid om een akkoord aan zijn schuldeisers aan te bieden;
  • Als meer dan de helft van de aan de stemming deelnemende schuldeisers akkoord gaat en als deze groep van schuldeisers meer dan 2/3 van de uitstaande vorderingen van de deelnemende schuldeisers vertegenwoordigen, is het akkoord aangenomen. De rechtbank zal het akkoord verbindend verklaren voor alle schuldeisers;
  • Ook als het akkoord niet is aangenomen kan de rechtbank het akkoord verbindend verklaren. De rechtbank zal dan moeten vaststellen dat de schuldeisers in redelijkheid het akkoord niet hadden mogen weigeren. Een belangrijke graadmeter hierbij is de vermogensvergelijking. De schuldenaar zal aannemelijk moeten maken dat als het akkoord niet aangenomen wordt een faillissement zal volgen als gevolg waarvan de schuldeisers (veel) minder zullen ontvangen.
Dit wetsvoorstel is nog niet ingediend bij de Tweede Kamer. Status quo Totdat het wetsvoorstel is aangenomen geldt de hoofdregel van contractsvrijheid. Een crediteur kan in principe niet worden gedwongen om akkoord te gaan. Dit betekent niet dat een crediteur altijd mag weigeren. De rechtbank Gelderland heeft in kort geding (JOR 2015/211) een crediteur gedwongen om het aangeboden akkoord te accepteren. De casuïstiek is veelvoorkomend bij de afwikkeling van ‘Agri-financieringen’. Een varkensboer heeft een verlieslijdend bedrijf (eenmanszaak). Alle activa – woonhuis, bedrijfsgebouwen, levende have en varkensrechten – zijn in zekerheid gegeven aan de bank. De totale schuldenlast is hoger dan de waarde van de activa. Technisch is het bedrijf failliet. De bank dringt aan op verkoop van het bedrijf. Een onderhandse verkoop heeft de voorkeur van de bank omdat dit, in vergelijking met een executieveiling of faillissementsverkoop, een veel hogere opbrengst zal genereren. De varkensboer zal aan zijn medewerking voor de onderhandse verkoop de voorwaarde hebben gesteld, dat de bank een deel van de verkoopopbrengst ter beschikking stelt om een crediteurenakkoord aan te bieden. Hiermee voorkomt de varkensboer dat na een geslaagde onderhandse verkoop alsnog een persoonlijk faillissement of WSNP-traject dreigt. De bank is over het algemeen bereid om hier in mee te gaan. Zo ook in dit geval. Met steun van de bank heeft de varkensboer een crediteurenakkoord aangeboden. Eén crediteur weigert het crediteurenakkoord te accepteren. De varkensboer vordert in kort geding dat de crediteur veroordeeld wordt om het aanbod te accepteren. De rechtbank heeft een vermogensvergelijking toegepast. De opbrengst voor de crediteuren bij doorgang van het akkoord is afgezet tegen de verwachte opbrengst voor de crediteuren in geval van een faillissement. De rechtbank concludeert dat de crediteuren bij een faillissement in een beduidend slechtere positie komen te verkeren. Op basis van deze conclusie stelt de rechtbank vast dat de dwarsliggende crediteur misbruik van bevoegdheid (art. 3:13 BW) heeft gemaakt en in redelijkheid de aanvaarding van het aanbod niet had kunnen weigeren (zie ook HR 12 augustus 2005, JOR 2005/257). De crediteur is veroordeeld om het aanbod te aanvaarden en medewerking te verlenen aan de uitvoering van het crediteurenakkoord. Mogelijk is het wetsvoorstel WCO II van invloed geweest (reflexwerking) op de redenatie van de rechtbank. De rechtbank steunt in haar oordeel zwaar op de vermogensvergelijking. Voor de praktijk is dit hoopvol. Met het vonnis in de hand kunnen dwarsliggende crediteuren mogelijk buiten rechte overtuigd worden om alsnog akkoord te gaan. Praktische vuistregels Om de kans van slagen van een crediteurenakkoord te maximaliseren zijn een aantal vuistregels te benoemen:
  1. Accepteer de financiële situatie en onderzoek de mogelijkheid van een crediteurenakkoord tijdig. Zorg voor een goede en tijdige voorbereiding en schakel gespecialiseerde adviseurs in;
  2. Stel een actuele en gevalideerde vermogensopstelling op;
  3. Stel een vermogensvergelijking op en maak inzichtelijk wat de verwachte opbrengst voor de crediteuren bij doorgang van het akkoord en een faillissement zal zijn;
  4. Onderzoek de mogelijkheden of een derde bereid is om een extra som ter beschikking te stellen voor het akkoord. Dit is voor crediteuren het meest tastbare voordeel ten opzichte van een faillissement en verhoogt de kans op succes aanzienlijk;
  5. Bied het akkoord op persoonlijke wijze aan bij de (grotere) crediteuren en vermijd geautomatiseerde mailings. Creëer commitment en zorg voor transparantie;
  6. Schuif een jurist naar de voorgrond als een crediteur neigt om het aanbod niet te accepteren. Oefen de benodigde druk uit om de crediteur alsnog te overtuigen om akkoord te gaan, desnoods onder aanzegging van een kort geding.
Als een dochtermaatschappij een crediteurenakkoord wil aanbieden zal onderzocht moeten worden of de moedermaatschappij een 403-verklaring heeft afgegeven. Als dat het geval is zal bij de aanbieding van het akkoord door de dochtermaatschappij ook finale kwijting ten opzichte van de moedermaatschappij moeten worden overeengekomen. De Hoge Raad heeft op 3 april 2015 (JOR 2015/191) bepaald dat een akkoord tussen een crediteur en de dochtermaatschappij geen gevolgen heeft voor de vordering onder de 403-verklaring van de crediteur op de moedermaatschappij. mr. Arjen Zeilstra, bancair en juridisch adviseur