Termijnstelling: Hoge Raad tikt curatoren op de vingers vanwege misbruik van bevoegdheid

In 2 recente arresten – HR 16 januari 2015 (Van der Molen q.q.) en HR 6 februari 2015 (Welage q.q.) – heeft de Hoge Raad paal en perk gesteld aan de praktijk van sommige curatoren die er een sport van maken om vroegtijdige en/of oneigenlijke termijnstellingen (art. 58 Faillissementswet) aan de banken uit te brengen. In de praktijk is dit regelmatig en in toenemende mate het geval. Bijvoorbeeld als reactie wanneer de bank niet bereid is om de gevraagde – niet met de Separatistenregeling strokende – buitensporige boedelbijdrage te betalen. Er zijn gevallen bekend waarin een curator direct na diens aanstelling ‘standaard’ de bank een termijn stelt. Termijnstellingen met ogenschijnlijk het enkele doel om de opbrengst van de rechtsgeldig aan de bank verpande activa naar de boedel te halen met als gunstig bijeffect – zo niet hoofddoel – dat de eigen salariskosten uit de opbrengst betaald kunnen worden. Meest in het oog springend is de schrijnende casus die ten grondslag lag aan het arrest van 16 januari 2015. De failliet heeft een eigen woning (waarin hij met zijn echtgenote, 5 kinderen en moeder woont). De woning heeft een waarde van € 136.000. De door hypotheek gedekte financiering van de bank bedraagt € 318.000. Een derde is bereid om de maandelijkse financieringslasten aan de bank te betalen zodat het gezin in de woning kan blijven wonen. De bank wil hier aan meewerken en heeft geen belang om tot executie over te gaan. Een executie zal namelijk alleen maar verliezers kennen. Maar, dan is buiten de waard gerekend. De curator ziet wel brood in deze situatie en heeft de bank een termijn gesteld om tot executie van de woning over te gaan. De bank gaat noodgedwongen over tot het organiseren van een executieveiling. Doet de bank dit niet (tijdig) dan kan de curator na het aflopen van de termijn de woning opeisen. De failliet dreigt op straat te komen te staan en zal een forse restschuld overhouden. De failliet vraagt daarom aan de rechter-commissaris om de curator te bevelen om de termijnstelling in te trekken. Met de moraliteit van de rechter-commissaris bleek niets mis en heeft de curator bevolen na te laten om de woning op te eisen. Helaas, het moreel kompas van de curator gaf aanleiding om tegen dit bevel in beroep te gaan bij de rechtbank. En hij vindt daar wel gelijkgestemden. De rechtbank vernietigt de beschikking van de rechter-commissaris. De rechtbank meent dat de curator per definitie wel belang heeft bij de opeising (termijnstelling) als dat noodzakelijk is om de algemene faillissementskosten te kunnen voldoen. Ook al heeft dit tot gevolg dat het gezin op straat komt te staan en een forse restschuld overhoudt. Of te wel: het ‘eigen salaris belang’ van de curator is voldoende om tot opeising over te gaan, andere belangen doen niet ter zake. Tot zover de rechtbank Noord-Nederland. De Hoge Raad maakt gehakt van de redenering van de rechtbank en oordeelt dat de curator in deze omstandigheden geen rechtens te respecteren belang heeft en misbruik van bevoegdheid maakt. De Hoge Raad oordeelt dus dat sec het ‘eigen salaris belang’ van de curator in de afweging van de betrokken belangen onvoldoende is. En terecht. Zal dit dan aanleiding zijn voor de – in deze zich aangesproken – curatoren om de termijnstelling minder lichtzinnig te hanteren en enkel in te zetten voor situaties waarvoor de termijnstelling bedoeld is, namelijk om een dralende bank tot actie te bewegen? mr. Arjen Zeilstra, bancair & juridisch adviseur