De Bankierseed in Bijzonder Beheer

Met als doel om het vertrouwen in de financiële sector te herstellen heeft het Ministerie van Financiën de Bankierseed (‘de Eed’) laten opnemen in de Wet op het financieel toezicht. Aanvankelijk waren alleen bankbestuurders en commissarissen verplicht om de Eed af te leggen. Sinds 1 april jl. zijn alle medewerkers van bancaire instellingen verplicht om de Eed af te leggen. De Eed luidt als volgt: Ik zweer/beloof:
  1. dat ik mijn functie integer en zorgvuldig zal uitoefenen
  2. dat ik een zorgvuldige afweging zal maken tussen alle belangen die bij de onderneming betrokken zijn, te weten die van de klanten, de aandeelhouders, de werknemers en de samenleving waarin de onderneming opereert
  3. dat ik in die afweging het belang van de klant centraal zal stellen en de klant zo goed mogelijk zal inlichten
  4. dat ik mij zal gedragen naar de wetten, de reglementen en de gedragscodes die op mij van toepassing zijn
  5. dat ik geheim zal houden wat mij is toevertrouwd
  6. dat ik geen misbruik zal maken van mijn kennis
  7. dat ik mij open en toetsbaar zal opstellen en ik ken mijn verantwoordelijkheid voor de samenleving
  8. dat ik mij zal inspannen om het vertrouwen in de financiële sector te behouden en te bevorderen.
Vanaf het moment van het afleggen van de Eed is het tuchtrecht op de bankmedewerker van toepassing. De bancaire sector heeft het tuchtrecht zelf ingevoerd. De Stichting DSI voert als onafhankelijke instantie het tuchtrecht uit. Voor de exacte procedure verwijs ik naar het Tuchtreglement (www.nvb.nl). Het tuchtrecht kent verstrekkende maatregelen die de individuele bankmedewerker opgelegd kunnen worden:
  • een maatregel in de vorm van opleiding of verplicht te volgen educatie
  • een berisping
  • een boete met een maximum van 25.000 euro, te voldoen aan de Stichting
  • een aanwijzing om gedurende een periode van maximaal drie jaar niet meer werkzaam te zijn in een bepaalde functie in de bancaire sector
Iedereen kan een klacht indienen. De klacht wordt getoetst door de aangestelde Aanklager. Is de klacht volgens de Aanklager gegrond dan wordt de klacht aan de Tuchtcommissie voorgelegd. Is het feit waarop de klacht gebaseerd is onvoldoende ernstig of is de klacht ongegrond dan legt de Aanklager de klacht niet voor. De klager kan de voorzitter van de Tuchtcommissie verzoeken om de beslissing van de Aanklager te herzien. Is de klacht voorgelegd dan behandelt de Tuchtcommissie de klacht. Tegen de uitspraak van de Tuchtcommissie kan hoger beroep worden ingesteld bij de Commissie van Beroep. Wat kan er van het tuchtrecht verwacht worden? Gebaseerd op uitlatingen in de media stellen critici dat het een interne bankprocedure is waarvan maar weinig verwacht mag worden. Die kritiek deel ik niet. De procedure is met de nodige waarborgen omkleed en wordt uitgevoerd door een onafhankelijke instantie. De procedure is vergelijkbaar met bestaande tuchtprocedures, zoals die van de advocatuur. Ik ken geen advocaat die het tuchtrecht niet serieus neemt. Vooruit wellicht mr. Abraham Moskowicz, maar de gevolgen daarvan veronderstel ik bekend. Als voormalig accountmanager Bijzonder Beheer kan ik mij voorstellen dat medewerkers Bijzonder Beheer gemengde gevoelens hebben bij de Eed. Niet vanwege onderdelen 1, 3-6, maar wel vanwege de formulering van onderdelen 2, 7 en 8 van de Eed. Deze onderdelen zijn breed te interpreteren en onvoldoende bepaald. Onder punt 2 wordt de bankmedewerker geacht in de belangenafweging het belang van de samenleving mee te nemen. Onder punt 7 zijn verantwoordelijkheid voor de samenleving te kennen. Onder punt 8 het vertrouwen in de financiële sector te behouden en te bevorderen. Ga er maar aan staan. Kent u uw verantwoordelijkheid voor de (Nederlandse) samenleving? Ongetwijfeld, maar de vraag zal 16,8 miljoen verschillende antwoorden geven. Hetzelfde geldt voor het behouden en bevorderen van het vertrouwen in de financiële sector. Het vertrouwen van wie en exact waarin? Hoe wordt dat gemeten? Wat wordt er van een individuele bankmedewerker verwacht? De bottom-line is dat het ontbreekt aan een duidelijk en vooraf toetsbaar kader. De tijd zal moeten uitwijzen hoe de tuchtrechtspraak deze vage en algemene criteria gaat invullen. Tot het zover is zal de onduidelijkheid blijven bestaan. Een mogelijk gevolg van deze onduidelijkheid kan zijn dat medewerkers Bijzonder Beheer terughoudender en/of onnodig voorzichtig te werk gaan om ieder (persoonlijk) risico te vermijden. Dit kan tot gevolg hebben dat er (te) behoudende besluiten worden genomen of dat er vertraging in het besluitvormingsproces gaat ontstaan. De nadruk zal mogelijk meer komen te liggen op interne verantwoordings- en vastleggingsprocedures en het standaardiseren (normaliseren) van besluiten om het risico te minimaliseren. Tijd is in bijzonder beheer situaties een schaars goed. Niets doen maakt de kwaal vaak erger. Bijzonder Beheer vraagt om maatwerk, creativiteit en durf. Niet alleen van de klant maar juist ook van de (bank)medewerker. In een bijzonder beheer situatie is niets zwart-wit. Uit onderdeel 2 van de Eed blijkt al wel hoeveel belangen daarbij kunnen spelen. De bank(medewerker) moet in het grijze gebied onder tijdsdruk vaak lastige afwegingen maken waarbij niet altijd alle betrokken belangen te verenigen zijn. Als ik een oproep mag doen: gebruik het klachtrecht niet lichtzinnig en ken uw verantwoordelijkheid ter zake. Het zou zonde zijn als de bestaande praktijk onnodig belemmerd gaat worden. De klant is dan uiteindelijk verder van huis. mr. Arjen Zeilstra, bancair & juridisch adviseur